U bent hier

Vruchtwisseling

Wat is vruchtwisseling?

Vruchtwisseling betekent dat je de teelt van bepaalde groenten en kruiden elk jaar afwisselt. Zodat er verschillende jaren verstrijken voordat een gewas op dezelfde plaats terugkomt. Hiervoor stel je een zogenaamd vruchtwisselingsschema op. Een mogelijk voorbeeld van een vruchtwisselingsschema is een moestuin met 6 percelen die ingedeeld worden en jaarlijks verschuiven.

Vruchtwisseling wordt toegepast om de volgende redenen:

  1. Gewasbescherming
  2. Bemesting
  3. Onkruidbestrijding
  4. Bodemstructuur

Naast bodemzorg is vruchtwisseling ook gewoon een goede manier om ziekten en plagen te voorkomen.  

Bemesting

Gewasbescherming

In de eerste plaats passen we vruchtwisseling als gewasbeschermende maatregel. Door verkeerde opvolgingen te weren, vermijden we problemen met bodem gebonden ziekten en andere aantastingen. Wanneer dezelfde groente elk jaar weer op dezelfde plaats wordt geteeld, kunnen ziekten en plagen zich beter ontwikkelen en worden de groenten meer aangetast. Verschillende teelten trekken verschillende belagers aan. Als je de teelten ieder jaar afwisselt, krijgen de belagers in de bodem vaak oninteressante groenten voorgeschoteld, waardoor hun ontwikkeling sterk geremd wordt. Ziekten voorkomen kan dus door te vermijden dat groenten van dezelfde familie elkaar opvolgen.  

Onkruidbestrijding

Sommige gewassen onderdrukken het onkruid goed. Denk maar aan aardappelen, pompoen, witlof en sommige groenbemesters. Andere groenten, zoals koolsoorten zijn gemakkelijk te onderhouden qua onkruid, maar sommige groenten worden gemakkelijk door onkruid overmand, zoals erwten, aardbeien, wortelen, ui en sjalot. Het is dus niet aan te raden deze gewassen naast elkaar te zetten. Dankzij vruchtafwisseling worden gewassen, die slecht het onkruid onderdrukken, afgewisseld met gewassen die de grond schoon achterlaten. Hierdoor hou je het onkruid beter onder controle.  

Bodemstructuur

De structuur van de grond is erg belangrijk voor de groei van gewassen. De gewassen hebben echter ieder ook een invloed op de bodemstructuur. Zo zijn er diep wortelende gewassen zoals schorseneren die de grond diep losmaken en luchten. Bladrijke gewassen, zoals aardappelen, beschermen de grond dan weer tegen dichtslaan door de regen. Omgekeerd hebben ondiep wortelende, bladarme gewassen zoals uien een ongunstig effect op de bodemstructuur. Naarmate de gewassen meer organische stof in de grond achterlaten, werken ze ook mee aan de opbouw van de bodemvruchtbaarheid (humusgehalte en bodemleven). Groenbemesters spannen op dit vlak de kroon. Dankzij vruchtwisseling wisselen de gewassen die de bodemstructuur verbeteren en die ze verslechteren elkaar af en zo houden ze de bodem in evenwicht. Om diezelfde reden is het nuttig af en toe ook een groenbemesting gewas in te lassen.  

Tip

  • Gewassen die goed zijn voor de structuur van de bodem zijn: aardappel, schorseneer, witlof en koolsoorten.
  • Gewassen die de structuur negatief beïnvloeden zijn; ui, sjalot en erwt.  

Zoekveld